Van cijfers naar zeggenschap: wat het welzijnsdashboard in beweging brengt

In de Wegener Sleeswijkbuurt moet veel gebeuren. Armoede en bestaansonzekerheid spelen een rol, woningen en openbare ruimte vragen aandacht. Bewoners en organisaties zoeken naar manieren om de leefbaarheid te verbeteren. Maar hoe bepaal je eigenlijk wat belangrijk is? Gemeente, onderzoekers en hulpverleners beschikken over tal van cijfers, maar komen die wel overeen met wat bewoners zelf als hun grootste problemen ervaren?

Van cijfers naar zeggenschap: wat het welzijnsdashboard in beweging brengt

Vanuit het domein eigenaarschap, inclusie en democratie is het belangrijk dat bewoners zeggenschap hebben. Daarom is gekozen om het welzijnsdashboard in te zetten als instrument. Met het Wellbeing Dashboard, in de volksmond ‘Welzijnsdashboard’, bepaalden bewoners eerst zelf wat onderzocht moest en moet worden. In workshops turfden zij onderwerpen die volgens hen bepalend zijn voor het welzijn in hun buurt. Vervolgens werd gezamenlijk een vragenlijst samengesteld, die vervolgens bij honderden buurtbewoners is afgenomen.

Dr. Hebe Verrest, hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam, is als onderzoeker betrokken bij de ontwikkeling en toepassing van de methode. Ze legt uit: “Het Wellbeing Dashboard meet hoe het met een buurt en haar bewoners gaat. Het bijzondere is inderdaad dat de onderwerpen en thema’s in co-creatie met bewoners worden opgesteld. We gingen met hen in gesprek over hun ervaringen, kennis en geschiedenis in de buurt. „Bewoners worden zo mede-eigenaar van wat we zouden gaan meten. De vragenlijst stelden we zo samen op. Klopt dit? Is de vraag goed geformuleerd? Daarna pas gingen we samen met de wijkbewoners met de vragenlijsten de buurt in.”

Bij veel reguliere onderzoeken zit juist daar een verschil: ‘Vaak krijg je een brief: u bent geselecteerd, wilt u online meedoen? Of er worden focusgroepen georganiseerd. Hier gaan de wijkverbinders echt de straat op, langs de deuren, de pleinen, bij de koffiekar; laagdrempelig. Zo proberen we ook de mensen te bereiken die zo’n uitnodiging normaal gesproken links laten liggen. Terwijl juist die zo belangrijk zijn. Dus ook de mensen die stiller zijn, of mensen die de taal minder goed spreken. Non-respons is bij enquêtes een groot probleem. Met deze methode proberen we dat te verkleinen.”

“Voor het onderzoek kijken wel heel bewust naar de samenstelling. We weten hoeveel mannen en vrouwen er in een buurt wonen en de leeftijdsgroepenzijn en proberen die verdeling ook in onze groep terug te laten komen. De vragenlijst bevat gesloten vragen, dus we kunnen er ook echt mee rekenen, maar daarnaast stellen we open vragen. Die geven vaak veel meer kleur aan de cijfers.”

“In de workshops proberen we persoonlijke verhalen om te zetten in thema’s die breder in de buurt kunnen spelen. We werken bijvoorbeeld met ‘persona’s’; bewoners bedenken samen iemand die in de wijk zou kunnen wonen en beschrijven een dag uit het leven van die persoon. Dan komen allerlei onderwerpen naar boven: stress, eenzaamheid, kinderen die willen sporten, geldproblemen, onderwijs. Vaak is zo’n verhaal deels autobiografisch, maar uiteindelijk gaat het niet meer alleen over één persoon.”

Financiële en fysieke gezondheid

In de Wegener Sleeswijkbuurt kwamen financiële en fysieke gezondheid als belangrijkste prioriteiten naar voren. “Er werd veel aandacht gevraagd voor mensen die net niet de allerlaagste inkomens hebben en daardoor buiten heel veel regelingen vallen. Mensen die bijvoorbeeld net geen Stadspas meer hebben, maar wel veel moeite hebben om rond te komen. Zeker met inflatie, kinderen, sportkosten en andere uitgaven. Dat vond ik opvallend. Niet omdat je niet weet dat die groep bestaat, maar omdat bewoners daar zo nadrukkelijk aandacht voor vroegen.”

Watertrappelen

Na het vaststellen van die prioriteiten volgden gesprekken met organisaties die iets met financiële en fysieke gezondheid te maken hebben. Hebe: “Samen met een groep bewoners hebben we die gesprekken voorbereid. Wat laten de cijfers zien? Welke verhalen zitten daarachter? Wat willen bewoners ermee bereiken? Bij een van die bijeenkomsten met partners waren vijf vrouwen aanwezig die vanaf het begin bij het traject betrokken waren. Ik kwam binnen en vroeg een van hen wat ik zou kunnen doen, iets inleiden of zo. Ze zei: regel jij de koffie maar. Dat vond ik geweldig.”

“Die dames deden het gewoon zelf. Ze waren heel goed voorbereid. Op een gegeven moment begon een van de partners zich te verschuilen achter subsidies en geldstromen. Toen zei een van de vrouwen: we verwachten helemaal niet dat hier vandaag een oplossing ligt, maar we willen dat jullie met ons meedenken over hoe we dit probleem kunnen aanpakken.”

Van cijfers naar actie

“Ze wilden meer toegankelijke bewegingsmogelijkheden voor volwassenen zonder Stadspas. Het liefst wilden ze dat mensen ook terechtkonden bij gewone sportclubs. Dat is niet meteen gelukt, maar er zijn wel kickbokslessen gekomen. Een groep vrouwen sport daar nu wekelijks. Dat draagt niet aan bij aan hun fysieke gezondheid maar heeft juist ook impact op hun mentaal welzijn.

„Bij financiële gezondheid ging het er heel erg over dat veel mensen niet goed weten waar ze met welke vraag terechtkunnen en ook naar verschillende plekken moeten. Er zijn heel veel regelingen en instanties, maar als je financiële stress hebt, heb je vaak helemaal niet de mentale ruimte om dat allemaal zelf uit te zoeken. Je blokkeert als het ware. Er is toen een ontbijt georganiseerd waarbij relevante organisaties aanwezig waren die mensen op een informele manier van advies konden dien en die hen soms direct konden helpen om dingen in werking te zetten.”

Blijven monitoren

Bij een methode als het welzijnsdashboard houdt het onderzoek niet automatisch op zodra de cijfers er liggen. „Je vraagt dingen van mensen en je doet dat ook in de verwachting dat je er verder mee kunt werken. Dan kun je niet zeggen: bedankt en doei. Zeker niet in buurten waar al veel is beloofd en veel onderzoeken zijn gedaan. Wij hebben geprobeerd bewoners in het hele traject serieus te nemen. Maar uiteindelijk moet het dashboard wel een vaste plek krijgen in de praktijk van de wijk.”

“Wij doen als onderzoekers langzaam een stap terug. Het idee is dat bewoners en organisaties er zelf mee verdergaan. Binnenkort willen we opnieuw kijken wat er is gebeurd, of er nieuwe prioriteiten zijn en we gaan de meting later herhalen.”

De methode spreidt zich inmiddels uit over Nieuw-West. In de Dobbebuurt staan de eerste gesprekken op stapel. In de Ruys de Beerenbrouckbuurt is de enquête inmiddels afgerond en wordt het dashboard verder opgebouwd. Ook staan nieuwe trajecten gepland in de Confuciusbuurt, de Johan Jongkind- en Jacob Geelbuurt en de Punt/Dijkgraafpleinbuurt. Elke buurt levert daarbij andere accenten en thema’s op.”

Of het dashboard voor structurele veranderingen zorgt, wordt moeilijk vast te stellen. Hebe: “Je kunt na een paar jaar opnieuw meten of dingen veranderd zijn, maar of dat nou door het dashboard komt… Er gebeurt in een buurt immers van alles. Voor mij is het succes aan iets anders af te meten: dat het een wezenlijke bijdrage levert aan het proces in een wijk. Als een betrokken groep bewoners zelf kan agenderen wat er in hun wijk moet gebeuren, dan is het project voor mij geslaagd, want dat is uiteindelijk het idee.”

Meer weten over het welzijnsdashboard in de Wegener-Sleeswijkbuurt? Kijk op: https://www.welzijnsdashboard.nl/?page_id=4331